De meezingende contrabassist

De meezingende contrabassist

Het NNO is echt ‘Georges orkest’. Zijn vader speelde er zijn leven lang contrabas, George trad in zijn voetsporen en bespeelt er nu zelf de contrabas van zijn vader. En hij beleefde er grote levensmomenten. “Elke keer als ik de Derde van Beethoven hoor, zie ik mezelf opnieuw in die ambulance liggen.”

Contrabassist George (50) zit op z’n gemakje te wachten op zijn tuinstoel onder de parasol, met een kopje koffie voor zich. Het is warm zonnig weer, een zacht briesje ritselt door de grote groene heg. Georges kleine witte Maltezer Boomer nestelt zich op de tuinstoel naast ons en doet zachtjes zijn ogen dicht. “Maar buiten zitten toch? Wil je koffie? Thee mag ook hoor”, roept George, terwijl hij naar binnen stapt om drinken te halen.

De Stadjer verruilde al heel wat jaren geleden zijn huisje middenin de stad Groningen – waar George opgroeide – voor een ruime twee-onder-een-kap met grote groene tuin in het Drentse Roden. “Dit was ik helemaal niet gewend joh”, zegt George, terwijl hij me door de grote achtertuin leidt. “In de stad hadden we een tuin zo groot als een postzegel. Ja, een landgoed, zo noemde ik dit ook toen we hier voor het eerst kwamen. Hier zitten we ’s avonds graag”. George wijst naar het tuinhuisje achterin, met een kleine veranda en hoekbank ervoor. Een knus plekje.

Georges vader is zijn hele leven lang contrabassist geweest en zijn familie heeft dat ook bijna zijn hele leven lang afgekeurd. Want musicus zijn, dat is toch geen echt beroep?

George is zo’n 7 jaar als hij voor het eerst in de Oosterpoort zit, naast zijn moeder. Ze kijken en luisteren naar Georges vader, die de contrabas bespeelt het Noordelijk Filharmonisch Orkest. Kleine George vindt het prachtig. “Mijn pa komt uit een groot boerengezin. Hij hoorde ooit iemand vioolspelen en vond dat zó mooi, dat hij ook de muziek in wilde.” Georges vader is zijn hele leven lang contrabassist geweest en zijn familie heeft dat ook bijna zijn hele leven lang afgekeurd. Want musicus zijn, dat is toch geen echt beroep? “Toen mijn opa 86 jaar oud was, ging hij voor het eerst kijken bij een optreden van mijn vader, die toen bij het Koninklijke Militaire Kapel Johan Willem Friso speelde. Mijn vader liep taptoe op het vliegveld van Twente. Ze droegen mooie uniformen, heel indrukwekkend. Pas op dat moment zei mijn opa tegen mijn vader: “Goh Gerard, je hebt toch een goeie keus gemaakt.”

“Pas op dat moment zei mijn opa tegen mijn vader: “Goh Gerard, je hebt toch een goeie keus gemaakt.”

“Mijn moeder drukte me op het hart: “Kind, wordt geen musicus. Dan moet je ’s avonds zo vaak weg.” Maar het zit er toch in. Van mijn 8e tot 17e speelde ik cello, dat vond ik een mooi instrument. Daarna had ik geen zin meer. Kreeg andere interesses als tiener. Geen probleem voor mijn vader. Die heeft me daarin altijd vrijgelaten. Als ik maar gelukkig was.” George mocht alleen niet aan de contrabas van zijn vader komen. “Dat was heel slim van hem”, gaat George verder. “Daarmee had hij mijn nieuwsgierigheid getriggerd. Mijn broer Johan zei een keer: “Kan jou het schelen.” Ik pakte de contrabas toen pa niet thuis was en liet hem daarna wat horen. “Vind je het mooi?” Het klonk wel goed.”

De negen jaar ervaring met de cello wierpen zijn vruchten af. George had het spelen op de contrabas in razend tempo onder de knie. “Er kwam een jongen van het Conservatorium bij ons thuis lesgeven. Na twee lessen zei hij al dat hij me niks meer kon leren en dat ik maar moest gaan voorspelen voor zijn leraar: Peter Korpershoek. Ik kon toen gelijk op het Conservatorium komen.”

Na het Conservatorium begeleidt George opera’s bij het Orkest van het Oosten en ‘schnabbelt’ hij daarna bij als contrabassist bij zowat alle orkesten in Nederland. Hartstikke leuk, maar ook heel zwaar. Want het zijn lange dagen als je in het westen moet spelen en uit Groningen moet komen. George neemt ’s ochtendsvroeg de trein van 6.15 uur, is rond 15.30 uur weer in Groningen en studeert dan nog tot ’s avonds laat. En dan de volgende dag het hele riedeltje opnieuw.

“Ik heb een strakke discipline. Oefen 6 dagen in de week en neem 1 dag in de week vrij. Dat houdt me fit.”

Nu George al een hele tijd onderdeel is van ‘zijn’ Noord Nederlands Orkest, steekt hij nog altijd veel tijd in zijn werk. “Maar ik zie het niet als werk. Het orkest is mijn leven. Nou ja, dat is wat overdreven. Een ónderdeel van mijn leven. Ik heb een strakke discipline. Oefen 6 dagen in de week en neem 1 dag in de week vrij. Dat houdt me fit. En dan heb ik voor mijn gevoel minder kans op blessures. Ik ben nu 50, maar heb zeker nog ambities. Wil mezelf altijd blijven verbeteren.” Daarom volgt George sinds kort één keer per maand weer contrabasles. Best eng, om te gaan spelen voor iemand die je kritiek geeft. Maar wel belangrijk om het beste uit jezelf te kunnen blijven halen. “Even een APK doen eens in de zoveel tijd”, vat George het samen.

“Sommige stukken zijn praktisch onspeelbaar, die gaan zo ongelooflijk snel. Dan lukt het niet om elk nootje precies te raken.”

George loopt weer even naar binnen om een nieuw kopje koffie te halen en schenkt ook de thee nog bij. Hij heeft nog wel even tijd toch? “Ja hoor, ik ga pas om 13.00 uur met de orkestbus. We spelen vanavond opera, daar ben ik gek op. Er zit van alles in. Liefde, passie, zang, muziek, geweldig. De zangers komen zo je ziel binnen. Maar het is wel heel lastig om te spelen. Sommige stukken zijn praktisch onspeelbaar, die gaan zo ongelooflijk snel. Dan lukt het niet om elk nootje precies te raken. Maar gelukkig hoor je dat niet, het gaat op in het grote geheel.”

Klinkt er uit de radio van huize Weghorst dan alleen maar klassieke muziek? “Pfff, nee zeg. Ik zet wel eens klassieke muziek op, maar als het een stuk is dat ik zelf heb gespeeld, dan speel ik dat automatisch mee in mijn hoofd. Ben er dan vakmatig mee bezig. Ik kan bijvoorbeeld geen vlees gaan bakken op klassieke muziek, want dan brandt het aan”, lacht George. “Nee, we spelen vooral veel popmuziek hier in huis. Ik luister vaak mee met wat mijn zoon Guido draait. Kensington bijvoorbeeld. En ik hou van jaren ’80-muziek. Dire Straits vind ik mooi. En ik zing graag mee op Andre Hazes. Die Amsterdamse vibrato, heerlijk!”

“Ik zing graag mee op Andre Hazes. Die Amsterdamse vibrato, heerlijk!”

Bij het orkest zingt George ook wel eens mee. De muzikanten hebben dopjes in hun oren, maar de muziek om hen heen is keihard. “Om de pijn in mijn oren te verdrijven zing ik het stuk mee. Mijn collega Igor doet het ook. De vrouwelijke cellisten voor ons kijken dan om en lachen wat om ons. Maar we doen het alleen bij repetities hoor, niet tijdens concerten.”

George heeft een bijzondere band met het Noord Nederlands Orkest. Het is het orkest waar zijn vader zijn hele leven lang speelde, waar hij voor het eerst kennismaakte met klassieke muziek en waar hij veel belangrijke momenten in zijn leven meemaakte. “In de week dat Guido geboren is, speelden we de Achtste van Bruckner. We oefenden dit de hele week en speelden het tijdens het concert. Ik weet nog dat een collega na een repetitie op de bok sprong en zei: “Dames en heren, George Wethorst heeft een zoon!” En elke keer als ik de Derde van Beethoven hoor, zie ik mezelf opnieuw in de ambulance liggen. Na een concert in TivoliVredenburg in Utrecht kreeg ik een auto-ongeluk. Iemand met te veel drank op reed me aan. Ik lag in de ambulance, met een berustend gevoel: ik had het overleefd. En ik hoorde steeds de deuntjes van de Derde van Beethoven in mijn hoofd, die we net hadden gespeeld.”

“Ik lag in de ambulance en hoorde steeds de deuntjes van de Derde van Beethoven in mijn hoofd, die we net hadden gespeeld.”

Ook de band van Georges vader met het NNO leeft nog altijd voort. George speelt namelijk op de contrabas van zijn vader. “Dat is heel bijzonder, dat realiseer ik me wel. En op zo’n oude contrabas klinkt alles mooier. Hoe ouder, hoe beter. Net als wijn.” Maar of de liefde voor klassieke muziek van vader op zoon door blijft gaan? Georges zoon Guido lijkt – ondanks dat hij wel een tijdje gitaar heeft gespeeld en wel eens op de contrabas heeft ‘gekrast’ – geen ambities op het gebied van muziek te hebben. “Maar dat hoeft ook niet, hij is vrij om te doen wat hij wil. Op de havo koos Guido Duits. Dan neem ik hem wel mee naar een Duitse opera. Dat vind ik dan wel weer belangrijk om mee te geven.”

“Hoe ouder het instrument, hoe beter. Net als wijn”

Op het voetbalveld van zijn zoon kwam George laatst een kameraad van vroeger tegen. Een oud-militair, die een posttraumatische stressstoornis had opgelopen na de golfoorlog in Irak. “Hij raakte aan de drank, het was allemaal verdriet en ellende. Maar de buddy van het leger die hij had was in aanraking met opera gekomen en is nu een succesvol operazanger. Bastiaan Everink? Ja, zo heet ie. Zo bijzonder. Ze hebben beide hetzelfde meegemaakt. En de ene gaat het verkeerde pad op, de andere wordt operazanger. Kun je zien hoeveel klassieke muziek met je kan doen.”

Wat klassieke muziek met je kan doen, bewees ook een uitvoering van de Matthäus Passion die George met het NNO speelde, afgelopen maart. George vertelt: “We speelden in een kerkje en ineens viel de stroom uit. Totaal geen licht meer, het was pikkedonker. Wij konden onze bladmuziek niet meer lezen. En we zeiden tegen elkaar: “Wat moeten we nu doen? Je laat die mensen toch ook niet zo achter, dat is zo teleurstellend.” Dit vond ik wel tekenend voor het NNO: we lieten publieksleden naast ons staan, terwijl ze met de zaklantaarns op hun mobieltje licht schenen op onze muziek. Zodat we toch het slotakkoord konden spelen. Die sfeer, de glas in loodramen, de muziek van Bach: prachtig. Terwijl we onze instrumenten inpakten, kwam ineens de stroom weer terug. En toen hebben we alsnog het tweede deel gespeeld. En dat is waar je het voor doet: die sfeer, dat gevoel van samen. Je zit in hetzelfde schuitje: het publiek wil mooie muziek, wij ook. Zoiets prachtigs vind ik dat.”

“Tijdens de Matthäus Passion viel ineens de stroom uit. Pikkedonker in dat kerkje. Toen schenen publieksleden licht bij met hun telefoon op onze bladmuziek, zodat we toch door konden gaan”

Het is weer tijd voor wat drinken. De gastvrije George loopt af en aan met drankjes en koekjes. “Wil je wat Fanta? Oh nee. Het wordt Rivella, is dat ook goed?” Het 8-jarige hondje Boomer ligt nog altijd even rustig op de tuinstoel genesteld. “Maar hij kan ook heel ondeugend zijn hoor. Hij pakt zo je koekje af als ie de kans krijgt. Ik smeer iedere ochtend brood voor iedereen. Mijn zoon wil altijd leverworst. Dan kijkt ie me altijd aan met die mooie bruine ogen, in de hoop dat ik een stukje worst laat vallen. En als ik de bordjes met brood op tafel laat staan, pikt ie gauw een broodje.”

“Surfen over het water geeft een waanzinnig geweldig gevoel. Alsof je vliegt als een vogel”

Vader en zoon doen ‘best wel veel samen’. Ze zijn allebei sportief, houden allebei van surfen, vissen, fietsen en voetballen. George fietst altijd op de mountainbike of racefiets van Roden naar Groningen, naar het orkest. En George en Guido pakken graag samen de surfplank om op het Leekstermeer te gaan surfen samen. Georges vrouw Antje gaat ook wel eens mee, maar die blijft dan aan de kant kijken. “Als het windkracht 4 of 5 is, kun je in planee gaan. Weet je niet wat dat is? Dan zweeft je plank en blijft alleen de vin in het water. Die gaat dan trillen omdat het zo hard gaat. Je vliegt bijna over het water, hebt haast geen weerstand meer. Een waanzinnig geweldig gevoel, alsof je vliegt als een vogel. Wacht ik pak ‘m er even bij. Kan ik het beter laten zien.” George loopt naar de schuur naast de tuin, de deur kraakt open. “Meid, blijf zitten!”, roept George, terwijl hij met zijn surfspullen terug de tuin in stapt. “Kijk, dit is een trapeze. Die pleur je om je middel. Er zit een giek aan de surfplank met touwtjes, die haak je hierin. En dan ga je zo over het water, tsjak tsjak tsjak.”

“Zijn goede cijfers heeft Guido niet van mij. Ik leerde zelf vroeger voor een zesje”

“Dat sportieve heeft Guido van mij, het gedisciplineerde van Antje. Guido doet altijd heel erg z’n best op school, haalt goede cijfers. Mede dankzij mijn vrouw, die zit vaak met hem om hem te helpen. Ik leerde zelf vroeger voor een zesje. En Guido is gek op mooie auto’s, heeft ie ook niet van mij. Er woont iemand in Roden met drie auto’s: een Maserati, Porsche en Bentley. Hij gooide een briefje door de brievenbus: “Mag ik alstublieft uw auto’s schoonmaken? Ik hoef er geen geld voor.” Tot onze grote verbazing mocht het en doet hij het nu al 2 of 3 jaar. Ze zijn inmiddels helemaal close met elkaar. Guido mag soms ook een stukje met hem meerijden. Dan is ie zo trots, geweldig.”

Als we nog even napraten, vertelt George over het concert waar hij later vandaag gaat spelen. Der Fliegende Holländer staat op het programma. “Prachtig stuk, moet je ook écht eens meemaken”, glundert George, terwijl hij naar binnen loopt om zijn bijzondere contrabas alvast weer klaar te leggen voor vertrek.

Tekst: Sanne Plantinga – Beeld: Grotografie

#ontmoethetNNO

Nieuws

Steun het Noord Nederlands Orkest

De musici en medewerkers van het NNO werken er elk seizoen weer hard voor om 120 concerten te brengen voor jong tot oud. Samen met het publiek beleven we ontroerende, inspirerende en vrolijke momenten in de concertzaal. Het is fijn dat mensen zien dat wij daar alle steun bij kunnen gebruiken. De overheid draagt een belangrijk deel bij, maar voor veel activiteiten zijn we voor 100% afhankelijk van de steun van donateurs, bedrijven en fondsen.

Dankzij het NNO Fonds en de bijdrage van Stichting Beringer Hazewinkel kunnen topsolisten als Daniel Muller-Schott worden aangetrokken