Programmatoelichting Brahms’ Vioolconcert & Debussy’s La Mer
Thomas Adès (1971)
Ouverture, Waltz en Finale uit Powder Her Face (1995)
Claude Debussy (1862-1918)
La mer (1903-1905)
- De l’aube à midi sur la mer
- Jeux de vagues
- Dialogue du vent et de la mer
Johannes Brahms (1833-1897)
Vioolconcert in D gr.t. op.77 (1878)
- Allegro non troppo
- Adagio
- Allegro giocoso, ma non troppo vivace – Poco più presto
Thomas Adès: Ouverture, Waltz en Finale uit Powder Her Face
Muziek die een schandaal veroorzaakt – dat is na Stravinsky, Schönberg en The Sex Pistols steeds zeldzamer geworden. Maar Thomas Adès kwam in 1995 aardig in de buurt toen zijn opera Powder Her Face in première ging – al was zijn librettist Philip Hensher de hoofdschuldige, als bedenker van een ´fellatio-aria´ waaraan het hoofdpersonage letterlijk een mond vol had. Adès had evenwel geen schandaal nodig om zich als componist te bewijzen – dat had hij al gedaan – en het opgewaaide stof rond die opera vertroebelde zijn reputatie geenszins. Verscheidene van zijn orkestwerken hebben inmiddels bijna een hitstatus in de concertzalen.
In Powder Her Face (en de hier gespeelde delen daaruit) benut Adès volop de overvloed aan muziekstijlen waarop we in de eenentwintigste eeuw kunnen terugzien. Bij een mindere componist zou dat leiden tot een onverteerbare brij, maar Adès springt als een acrobaat soepeltjes van de ene stijl naar de andere. Zoals een Engelse krant schreef: ´Adès weet dat het onderscheid tussen´klassieke´ en ´nieuwe´ muziek onhoudbaar is geworden.´
Claude Debussy: La Mer
Met La Mer (´De zee´) componeerde Claude Debussy één van de meest sublieme symfonische werken ooit, al was dat bij de haperende première in 1905 niet meteen duidelijk. Geen van zijn voorgangers had uit een orkest zulke kaleidoscopische, grillige, levendige muziek getoverd. Zijn vrienden verbaasden zich erover dat hij het stuk grotendeels componeerde in het Franse binnenland, zonder ook maar een glimp van de zee op te vangen. Dat was ook niet nodig, vond de componist: ´Ik heb talloze herinneringen aan de zee – en die zijn waardevoller dan de werkelijkheid, want die zit die onze gedachten meestal alleen maar in de weg.´
Debussy haatte het wanneer men hem een ´muzikaal illustrator´ noemde: zijn muziek was meer dan een klinkende weergave van een ´plaatje´. Het ging hem om wat een bepaald beeld met het onderbewustzijn van mensen deed, wat voor associaties en verre herinneringen die losmaakte. Hij was dan ook een groot liefhebber van Charles Baudelaire en Edgar Allan Poe, schrijvers bij wie werkelijkheid en droom onmerkbaar in elkaar overgaan. En in Debussy zelf ging tezelfdertijd heel wat om: hij had overspel gepleegd, waarop zijn vrouw hem verliet en met zelfmoord dreigde.
La Mer gaat in muzikaal opzicht over steeds veranderende vormen, over korte motiefjes die krimpen en uitdijen, over grillige bewegingen en onverwachte wendingen. Als je daarbij een beeld zoekt kom je inderdaad snel bij het golvenspel van de zee uit – of bij wolken, maar die had hij een paar jaar eerder al ´gedaan´ in zijn orkestwerk Nocturnes. Je kunt het werk als een symfonie beschouwen: het bestaat uit drie delen die nauw met elkaar verweven zijn, niet door terugkerende melodische thema’s, maar doordat elk motiefje steeds groeit uit het voorafgaande. Maar de saaie, schoolse titel ´Symfonie´ deed geen recht aan de mysteries van de natuur die hij wilde uitdrukken. Zelfs schilderkunst, hoezeer hij daarvan ook hield, slaagde daar niet altijd in. Aan een leerling schreef hij: ´Beter nog dan in een schilderij kun je in muziek indrukken weergeven. Want met muziek kun je geleidelijke veranderingen van kleur en licht in één beeld vangen.´ En dát is wat La Mer doet. In zijn persoonlijke missie om sferen en beelden bij de luisteraar op te roepen is dit één van Debussy´s grootste successen. Hier geldt wat Debussy zelf eens over een stuk van Isaac Albéniz zei: ´Je doet zó duizelingwekkend veel indrukken op dat je automatisch je ogen dichtknijpt.´
Johannes Brahms: Vioolconcert
Romantische componisten heb je in soorten en maten. Johannes Brahms was welzeker een romanticus, maar hij onderscheidde zich van zijn collega´s. Hij had niet de neiging om zijn dieptse gevoelsleven op muziek te zetten, zoals Robert Schumann. Hij was een goed pianist, maar geen Franz Liszt-achtig podiumbeest die van concerten een soort circusact maakte. En hij was al helemaal geen theaterman zoals Richard Wagner, die alle kunstvormen wilde samenproppen in één mega-ervaring. Brahms was eerder een nuchtere ambachtsman die dicht bij beproefde, klassieke genres bleef: hij schreef symfonieën en concerten, en geen filmische muziek die iets uitbeeldt. Hij stond midden in de maatschappij; het grootste drama van zijn leven was niet zijn onbeantwoorde liefde voor Robert Schumanns echtgenote, maar het mislopen van een dirigentschap in zijn geboortestad Hamburg.
Brahms koppelde romantische temperament aan klassieke afstandelijkheid. Zo ook in het Vioolconcert – ´het belangrijkste vioolconcert sinds Beethoven´, zoals een tijdgenoot het noemde. Want hoewel de eerste uitvoering verre van soepel verliep wist violist Joseph Joachim, Brahms’ vriend en de drijvende kracht achter de compositie, er een internationaal succes van te maken. Het was nogal een stap voor de componist om een gloedvolle solopartij te schrijven voor een instrument dat hij niet zelf beheerste. Maar met dit werk wilde hij zijn 25-jarige vriendschap met Joachim vieren, en uiteraard kreeg hij daarbij alle hulp van de violist zelf: Joachim leerde Brahms de fijne kneepjes van het instrument. Met het resultaat waren beiden uiteindelijk tevreden, maar het riep ook onbegrip op. Zo vond Pablo de Sarasate, een andere sterviolist uit die periode, dat de solist nergens echt kon shinen: ´Moet je daar staan met je viool in de hand terwijl de hobo de enige echte melodie in het hele stuk speelt?´ Jaloezie zal hier meegespeeld hebben; Brahms´ Vioolconcert bleek spoedig van wereldklasse te zijn.
Net als bij de oerklassieke vioolconcerten van Mozart klinkt eerst een ritornello, een orkestrale ´voorbeschouwing´ waarmee de solist vervolgens aan de haal gaat – een aanpak die in Brahms´ dagen in onbruik was geraakt en juist daardoor weer fris klonk. De diverse motiefjes daarvan worden later onderwerp van een sluw kat- en muisspel. Zo kan een kort, onopvallend houtblazers-figuurtje door de solist worden uitgebouwd tot een imposante, verzengende melodie. Of een markante melodielijn, eenmaal door het orkest neergezet, verwaait tot losse flarden van een paar noten die plotseling in de solopartij blijven haken. Het lijkt allemaal nogal gekunsteld, maar het resultaat klinkt toch spontaan. Vaak speelt de viool muzikale ´zinnen´ van ongelijke lengte, waardoor de muziek in de buurt van spreektaal komt. Dan denk je niet meer aan hoe het stuk in elkaar gezet is; je volgt gewoon het verhaal.
© Michiel Cleij 2026