Artikelen
Persoonlijke noot door Hartmut Haenchen – Sjostakovitsj Symfonie nr.2
Persoonlijke noot door vaste gastdirigent Hartmut Haenchen over D. Sjostakovitsj Symfonie nr.2, op.14 "Oktoberrevolutie"
Wat doet een twintigjarige jonge man die net zijn studie heeft afgerond, wanneer hij een compositieopdracht krijgt van de propaganda-afdeling van het Sovjetregime waarin hij leeft? Zijn allereerste compositieopdracht ooit. Hij denkt erover na en moet hem eigenlijk wel aannemen, omdat zijn toekomst in dit land anders onmogelijk is. En als voorwaarde krijgt hij ook nog eens een tekst van Aleksandr Bezymenski voorgeschoteld, waarover hij zegt: “Het koor schrijf ik slechts met moeite. De woorden!!! Maar daar staat tegenover dat ik vóór het koor een geslaagd fragment heb geschreven, dat officieel ‘Dood van een kind’ heet.” Dood van een kind? Vóór de lofzang op de Oktoberrevolutie?” Sjostakovitsj zegt hierover: “Toen de Oktoberrevolutie uitbrak, was ik ook op straat en voor mijn ogen werd een klein jongetje (door een agent) neergeschoten. Deze tragische gebeurtenis heeft zich voor altijd in mijn geheugen gegrift. Terwijl ik ‘Aan de Oktober’ componeerde, zag ik deze beelden weer heel duidelijk voor me en ik wijdde er een episode aan vlak voor de inzet van het koor.”
Hetzelfde motief gebruikt hij later ook in zijn Vierde en Twaalfde Symfonie. In een tijd waarin er nu opnieuw rechts-radicale regeringen aan de macht komen die de kunst willen controleren, is het helaas weer voorstelbaar dat Sjostakovitsj’ Tweede Symfonie destijds niet zomaar uitgevoerd kon worden. Eerst moesten de censoren het beoordelen. Sjostakovitsj heeft in zijn Tweede Symfonie zijn stijl compleet veranderd; deze ligt dichter bij Varèse en Ligeti dan zijn als examenwerk aangepaste – en desondanks geniale – Eerste Symfonie. Hier zet hij de stap naar de – in de Sovjet-Unie verboden – muzikale taal van de ‘klassenvijand’. Hij gaat zelfs nog verder: de opdracht was immers om een ‘verjaardagscantate’ te schrijven voor de tiende verjaardag van de Oktoberrevolutie. Wat doet Sjostakovitsj? In de dichte klank van de grotendeels atonale strijkers citeert hij (Mildred J. Hill componeerde het in 1893) in de trompet een verboden lied als ‘verjaardagsgroet’ van de klassenvijand: ‘Happy Birthday to you’. Een Amerikaans verjaardagslied voor de Oktoberrevolutie! Wat een affront. De censoren hebben het niet gemerkt. De censoren hebben ook niet gemerkt dat Sjostakovitsj de oude ‘Dies irae’-sequentie in de tubasolo laat klinken en het motief van de dood van de tsarevitsj uit Boris Godoenov citeert. In de nacht van 16 op 17 juli 1918 vermoordden de bolsjewieken immers ook tsarevitsj Aleksej Nikolajewitsj Romanov. Ze zagen ook het requiem voor het tijdens de Oktoberrevolutie vermoorde kind niet. Nog provocanter is het feit dat Sjostakovitsj het thema van de kindermoord – na markante herhalingen in de hoorn, de trompet en tot slot de trombone – op het hoogtepunt van het werk in de klokken (!!) herhaalt, en wel op de tekst ‘want de naam van de overwinnaar luidt: Oktober!’. Vandaag de dag kunnen we alleen maar zeggen: gelukkig heeft de censuur het niet ontdekt, anders was de Tweede Symfonie zijn laatste geweest.
Men vond de sirene, die anders waarschijnlijk in geen enkele symfonie voorkomt, een mooi symbool uit de arbeidswereld – hoewel Sjostakovitsj het juist vooral als een teken van oorlog ziet. Kunstenaars in dictaturen proberen de grenzen op te zoeken tussen wat is toegestaan en wat verboden is. En het publiek leert de verborgen tekens te ontdekken die de censoren zijn ontgaan. In deze speelruimte ligt het succes van kunstwerken in dictaturen. Een aantal jaren later werd het werk in de Sovjet-Unie (natuurlijk onofficieel) verboden, omdat de muziek van het pure orkestdeel als te experimenteel en avant-gardistisch werd bestempeld, wat radicaal indruiste tegen de nieuwe, strengen richtlijnen van het socialistisch realisme. En uitgerekend de dichter van de vreselijke tekst raakte tijdens de stalinistische zuiveringen in ongenade, waardoor het werk alleen al om die reden niet meer uitgevoerd mocht worden.
Zelf heb ik in mijn DDR-tijd vaak meegemaakt dat het publiek de verborgen tekens van een kunstenaar (met een groot applaus) opmerkte, die de censuur over het hoofd had gezien. En daar wil ik nog een heel persoonlijk verhaal over vertellen dat mij met dit stuk verbindt: voor de feestelijkheden rond de 30e verjaardag van de DDR was ik als chef-dirigent van het Staatstheater Schwerin automatisch verplicht om de officiële ceremonie van de SED te dirigeren. Ik stelde Sjostakovitsj’ Tweede Symfonie voor. Dat werd – vanwege de tekst – meteen geaccepteerd. Twee weken later kreeg ik de instructie om er alleen het slotkoor van te dirigeren. Ik heb geweigerd, omdat voor mij het verjaardagslied van de ‘klassenvijand’ en het daaraan voorafgaande requiem voor het kind juist het juiste commentaar waren op deze verjaardagsviering. Die weigering heeft mij mijn positie als chef-dirigent gekost. Einde verhaal! Daarna had nog maar één enkele intendant in de DDR de moed om mij tenminste als gastdirigent te engageren…Rest nog de vraag waarom er is gekozen voor de schijnbaar merkwaardige combinatie met Johannes Brahms’ Nänie. Het antwoord was voor mij simpel: beide werken houden zich bezig met de dood. De innerlijke verbinding ligt in het gezamenlijke thema.
-Hartmut Haenchen