Programmatoelichting Johannes Brahms: Nänie & Symfonie nr. 3

Johannes Brahms: Nänie
(1881, op een tekst van Friedrich Schiller)

Met zijn broeierige blik en zwaar beboste kin is Johannes Brahms geen schoolvoorbeeld van het zonnetje in huis. En wanneer die Friedrich Schillers gedicht Nänie (´Treurzang´) op muziek zet zou dat de overtreffende trap van treurnis kunnen worden. Maar nee: het is muziek als een warme omhelzing waarvoor de tedere hobo-melodie aan het begin meteen de toon zet. En eigenlijk hoeft dat ook niet echt te verbazen; jaren eerder al had Brahms een complete dodenmis geschreven (Ein Deutsches Requiem) met een verrassend lieflijk en positief karakter.

Brahms componeerde het werk ter nagedachtenis aan de bevriende schilder Anselm Feuerbach, wiens doeken vaak verwijzen naar de Griekse oudheid. En dat doet Schillers gedicht ook. Drie iconische sterfscènes worden aangehaald: de mislukte poging van Orpheus om zijn wederhelft Eurydice uit de Onderwereld te redden, Adonis die in de armen van zijn geliefde Aphrodite sterft, Thetis die vergeefs probeert de dood van haar zoon Achilles te voorkomen. Het gaat Schiller en Brahms dan ook niet om de dood van een specifiek persoon, maar om vergankelijkheid in het algemeen. ´Ook schoonheid moet sterven!´, zegt het gedicht. En zelfs de goden kijken machteloos toe. Maar tussen de regels door gloort hoop: kunst kan verloren schoonheid herscheppen. Je bent geneigd het te geloven als je hoort hoe het koor een meerstemmig gezang als een fraai geweven tapijt voor je uitrolt.

Johannes Brahms: Symfonie nr. 3
Symfonie nr. 3 in F groot op. 90 (1883)
Allegro con brio
Andante
Poco allegretto
Allegro – Un poco sostenuto

´Een geboren orkestman´, denk je als je Brahms´ Derde symfonie hoort. Vanaf de eerste noten klinkt de muziek gedecideerd en meeslepend. Aan zo´n autoriteit wil je je oren wel een halfuurtje lenen. En toch was Brahms een laatbloeier in het orkestgenre. Hij excelleerde in pianostukken, kamermuziek en koorwerken, maar durfde aanvankelijk geen symfonie te schrijven. Hij was bang om vergeleken te worden met de grote Beethoven, die na zijn dood nooit was geëvenaard als symfonicus. Natuurlijk werd die vergelijking prompt gemaakt toen Brahms uiteindelijk zijn Eerste symfonie presenteerde – een meerjarenproject – en het onverwachte succes daarvan gaf hem vleugels. Drie symfonieën volgden in relatief korte tijd.

Een negentiende-eeuwse symfonie is meer dan een reeks melodische vondsten in orkestgewaad. Het is een doortimmerde constructie waarin de thema´s zich vertakken, versmelten met nieuwe ideeën en voortdurend veranderingen ondergaan. Bijna alles staat met elkaar in verband, ook als je het niet direct hoort. Brahms beheerste dit ambacht met de visie van een architect en de degelijkheid van een klassieke meubelmaker. Daarbij voegde hij zijn expertise als lied- en koorcomponist: alle symfonieën zitten vol indringende melodielijnen en meerstemmige weefsels.

De Derde is de kortste van de vier, maar heeft iets extra. Het stuk is zó expressief dat Brahms hier persoonlijke mededelingen lijkt te doen of een verhaal lijkt te vertellen – iets wat hem totaal wezensvreemd was. Muziek zonder liedtekst was voor hem een abstract klankbouwsel en wanneer je er ´iets´ in hoort zegt dat vooral iets over de luisteraar. Hier krijgt je fantasie genoeg prikkels aangereikt.

Het hoofdthema dat je in de delen één en drie hoort verspringt voortdurend van majeur naar mineur, wat voor een eigenaardige dramatiek zorgt. Het is gebouwd op de noten F-A-F, waarin Brahms´ vrienden diens motto ´Frei Aber Froh´ (´Vrij maar blij´) konden herkennen. Bijzonder is ook dat alle delen fluisterzacht eindigen; van de doorgaans nadrukkelijke Brahms zou je meer uitroeptekens verwachten. De twee zacht wiegende middendelen – een echt langzaam deel is er ditmaal niet – bevatten vreemde akkoorden die als wolken voor de zon schuiven en weer oplossen. Daarbij heeft het derde deel ook nog eens de melancholie van een treurig liefdeslied; ook hier hoor je weer zo´n Brahms-melodie waar je zo een tekst op zou kunnen plakken.

Het slotdeel maakt een aantal omtrekkende bewegingen om uiteindelijk weer bij dat F-A-F-motief uit te komen. De wonderlijkste zijsprong is een gedragen, orgel-achtig tussenspel van lage strijkers en blazers. Het lijkt uit het niets te komen, maar de melodie is al subtiel aangekondigd in deel twee. Het F-A-F-motief herrijst daarop in een veredelde vorm, als een persoon die na een lange reis wijzer geworden terugkeert. Zó componeert een middelbare componist die in een jaar tijd diverse vrienden verloor, maar die weet dat hij altijd op zijn enorme muzikale ervaring kan terugvallen.

 

© Michiel Cleij 2026